75th Anniversary: 2) In den beginne was er E.W. Hofstee – het ontstaan van Rurale Sociologie in Wageningen

De geschiedenis van rurale sociologie in Wageningen gaat terug tot de benoeming tot hoogleraar van Evert Willem (E.W.) Hofstee per Koninklijk Besluit van 9 mei 1946. Volgens eigen zeggen begon hij zijn werkzaamheden op 15 september 1946, maar zijn formele indiensttreding was op 1 oktober 1946 en het einde van die maand, op 30 oktober 1946, hield Hofstee zijn inaugurele rede met de titel “Over de oorzaken van de verscheidenheid in de Nederlandsche landbouwgebieden”. Hofstee kan met recht beschouwd worden als de grondlegger van de rurale sociologie in Wageningen, maar misschien ook wel van het departement maatschappijwetenschappen aan deze universiteit. Ook speelde Hofstee een sleutelrol in rurale sociologie in Europa. Hofstee was medeoprichter en eerste president van de European Society for Rural Sociology (1957) en medeoprichter van het tijdschrift Sociologia Ruralis (1960).
Hofstee zijn oorspronkelijke leeropdracht was de ”Economische en Sociale Geografie en de Sociale Statistiek”. De positie voor een economisch geograaf, die de sociale statistiek erbij zou doen, ging terug tot een preadvies van een commissie onder leiding van de Wageningse Hoogleraar Edelman aan de senaat van de Landbouwhogeschool op 21 september 1945 om een professor economische geografie aan te stellen. Nog geen week later, op 27 september 1945, verzocht de rector het naoorlogse ‘College van Herstel van de Landbouwhogeschool’ een positie te creëren voor een professor economische geografie. Over de noodzaak en invulling van een dergelijke positie, schreef de benoemingsadviescommissie 26 januari 1946 het volgende:
“Naarmate de volkshuishoudingen meer door de overheid worden geleid ontstaat er meer behoefte aan landbouwkundigen met economische en sociaalgeografische scholing. Kennis van de structuur van landen en volken welke me onze land-, tuin- en bosbouwproducten concurreren als wel kennis van de structuur van de agrarische samenleving in ons eigen land en Indië is noodzakelijk”. 
Hofstee is een van de 13 kandidaten die op de functie solliciteert. De commissie acht twee kandidaten voor de functie geschikt, maar Hofstee is de eerste keus. Hofstee, zo motiveert de commissie haar besluit, is een goed spreker, hij heeft didactische vaardigheden, heeft belangrijke onderzoek gedaan en sterke geloofsbrieven. De commissie denkt verder dat de andere kandidaat
“zich vermoedelijk gemakkelijker dan Hofstee [zal] richten naar de wensen van zijn collega’s; Hofstee zal meer zijn eigen weg gaan; hij ziet die reeds vrij scherp voor zich en beschikt vermoedelijk over het nodige doorzettingsvermogen om zijn doel te verwezenlijken”.
De commissie zoekt iemand die zijn leeropdracht op eigen wijze weet in te vullen en denkt hiermee in Hofstee de juiste persoon te hebben gevonden.
Hofstee had in zijn sollicitatiebrief op de functie en in het daaropvolgend gesprek zijn visie helder uiteen gezet. Zo maakte hij duidelijk dat de taak van de professor zich niet zou moeten beperken tot een “productentopografie” waartoe de economische geografie maar al te vaak aanleiding geeft. De taak zou ook niet beperkt moeten blijven tot het bij elkaar brengen van kennis. Hofstee meende dat gezien de toekomstige functie van de landbouwingenieur, het van groot belang was dat deze inzicht krijgt in de factoren welke aard en omvang van de productie bepalen. “Economische verschijnselen”, zo stelt Hofstee, “moeten gezien worden in samenhang met de maatschappelijke verschijnselen van niet-economische aard”.  Een andere belangrijke taak, schrijft Hofstee, is studenten op te leiden tot zelfstandige onderzoekers van concrete vraagstukken. Hofstee gaf verder aan de Landbouwhogeschool zoveel mogelijk te willen maken tot een centrum van het onderzoek van het platteland en de landbouw. Hij vindt de termen economische en sociale geografie verouderd, en stelt de naam sociografie voor, maar hij moet tot 1954 wachten tot zijn leeropdracht deze naam krijgt.
In de jaren die volgden op zijn benoeming in 1946 zette Hofstee de rurale sociologie op de kaart, als wel de demografie en gezinssociologie, geschiedenis, planologie, en GIS. Ook was hij bestuurslid van het landbouweconomisch Instituut LEI, het huidige WECR (Wageningen Economisch Research).  Hoewel hij niet gecharmeerd was van de benaming ‘Wageningse School’, legde hij de basis voor een specifieke benadering die zich liet kenmerken door de aandacht voor agency, betekenisgeving en diversiteit. 
Foto: Hofstee op de schouders van de sociologen Ad Nooij en Rien Munters ter gelegenheid van het 25 jarig jubileum in 1971.