A new study by Dawn Cheong, Bettina Bock & Dirk Roep examines how conservation agriculture affects gendered labour dynamics in Nepal’s Terai region.
While conservation agriculture is often promoted for its sustainability benefits, this research applies a feminist lens and the concept of social reproduction to explore its broader impacts. Using surveys, focus groups, and interviews, the study shows that conservation agriculture increases farmers’ workloads and reorganises agricultural labour at the individual level. However, it does not substantially restructure gendered roles in either productive or reproductive work.
Women experience greater empowerment and recognition as contributors to agriculture, yet their reproductive labour remains largely unchanged, creating a transitional space where traditional and new subjectivities of women coexist and negotiate. This highlights how agricultural innovations, if not carefully evaluated, can increase women’s labour burdens and deepen the feminisation of social reproduction crises.
The research underscores the importance of integrating gender perspectives in evaluating agricultural innovations to ensure truly sustainable and equitable development.
Dawn D. Cheong is a PhD in Rural Sociology from Wageningen University and Research in the Netherlands. She has about 15 years of experience in agriculture and rural development and climate adaptation, working as a planner, practitioner, and researcher with national and international organisations. Her research focuses on gender, labour, and processes of agricultural and rural innovation, with particular interest in how social dynamics shape technology adoption and rural change.
Bettina Bock is Professor of Inclusive Rural Development at the Rural Sociology Chairgroup at Wageningen University and a Professor of Population Decline and Quality of Life at the University of Groningen. Her research areas include inclusive rural development and social innovation, migration, sustainable agriculture and gender relations.
Dirk Roep is a former Assistant Professor and Research Coordinator at the Rural Sociology Chairgroup of Wageningen University and a Project Associate Professor at Kyoto University. He has expertise in place-based sustainable agricultural and rural development, sustainable modes of food provisioning, social learning and innovation, transition studies and rural transformation processes.
Tijdens de CollectieveKracht-eindejaarsbijeenkomst op 8 december zijn de winnaars van de Masterscriptieprijs 2025 bekendgemaakt. Met deze jaarlijkse prijs stimuleert CollectieveKracht vernieuwend academisch onderzoek dat bijdraagt aan het begrijpen en versterken van burgercollectieven.
Dit jaar werden maar liefst 38 scripties ingezonden, afkomstig uit verschillende disciplines en landen. De jury beoordeelde een breed en kwalitatief sterk veld van studies over thema’s als commons, collectieve actie, zelforganisatie, bewonersinitiatieven en maatschappelijke samenwerking. De variatie in theoretische invalshoeken en methodologische keuzes liet duidelijk zien hoe rijk en dynamisch het onderzoeksveld rondom burgercollectieven momenteel is.
Uit dit indrukwekkende aanbod selecteerde de jury drie scripties die zich onderscheidden in originaliteit, analytische kwaliteit, maatschappelijke relevantie en de mate waarin ze nieuwe perspectieven op collectief handelen bieden.
1e prijs voor Ada Korteknie
De eerste prijs ging naar Ada Korteknie (MSc Student Resilient Farming and Foodsystems, Wageningen University & Research) voor haar scriptie:
“On curiosities, nostalgia & futurities: A study on the practice of conserving heritage crops and varieties in the Netherlands”
In haar onderzoek richt Ada zich op het behoud van oude gewassen en rassen in Nederland, en op de cruciale rol die lokale communities spelen bij het ontwikkelen en onderhouden van commons-praktijken. Door een combinatie van interviews, participerende observaties en een experimentele focusgroep creëerde zij een rijk en toegankelijk verhaal dat inzicht geeft in hoe verschillende werelden – van boeren tot beleidsmakers – samenwerken aan gedeeld erfgoed en collectief beheer.
De jury prees met name de originaliteit, de methodologische creativiteit en de bijdrage die Ada’s werk levert aan het bredere denken over collectieve organisatie en gemeenschappelijk beheer.
by Priscilla Claeys, Sylvia Kay and Jessica Duncan
In what ways can food sovereignty or agroecology act as a viable joint framing for systemic convergence? The third Nyéléni Global Forum in Kandy, Sri Lanka, brought together over 700 activists with the aim of weaving convergence and strengthening alliances between food sovereignty and social justice movements. The authors reflect on their experience at the Forum, highlighting successes in cross-movement collaboration as well as frictions in organising, representation, and frameworks. Looking ahead, the Kandy Declaration calls for actions to deepen dialogue, transform governance, and build collective capacity to advance systemic transformation.
Martha is nog niet zo lang bij de Provincie. Ze werd enthousiast, toen ze een vacature las voor een ‘gebiedsmanager’. Ze heeft weliswaar niet zoveel met het woord ‘manager’ – dat klinkt voor haar veel te veel alsof ze de koordjes in handen moet hebben – maar het het tweebenige van de functie sprak haar echt aan. Ze zag zichzelf al voor zich, met één been aan keukentafels op boerenbedrijven én op de bijeenkomsten van de agrarisch natuurvereniging. En met haar andere been in het provinciehuis, het gemeentehuis, het ‘waterschapshuis’. Het moest te doen zijn, dacht ze, verschil te maken door die twee werelden – ‘buiten en binnen’ – met elkaar te verbinden. Niet, dus, door létterlijk de koortjes in handen te nemen, maar door ruimte te zoeken, vertrouwen te vinden, de bal direct te spelen, de vragen die opborrelen op de goede plek te leggen. Als ex-consultant in de procesbegeleiding weet ze dat ze goed is in die verbindingsrol. Martha heeft trouwens al flink wat ervaring opgedaan met het verbinden van precies die werelden. Maar wat haar in haar vorige werk begon tegen te staan, was het hoppen van project naar project, waardoor ze steeds nieuwe relaties moest aangaan, en steeds net als ze zich vertrouwd begon te voelen met een project en de mensen, weer verder moest. Een baan als gebiedsmanager geeft meer structuur, voor haar gevoel, en brengt de mensen die over het beleid gaan dichterbij haar. Ze zitten, als het ware, in haar eigen achtertuin! Een prachtige kans om snel te schakelen – tussen de initiatieven en ideeën uit wat háár gebied zal zijn en het wat abstracte beleid om duurzaamheidstransformaties in het landelijke gebied in beweging te zetten. Daarmee heeft ze goud in handen, … dacht ze!
Nu Martha er middenin zit, denkt ze vaak terug aan de dromerij van toen ze solliciteerde. Dat gevoel wil ze vasthouden! Het stelt haar namelijk in staat van haar nieuwe rol te houden. Als vrienden haar vragen hoe het is om nu ‘ambtenaar’ te zijn, legt ze hen altijd uit dat het niet zo is dat ze de hele tijd opdrachten vanuit de hiërarchie aan het uitvoeren is, of continu vastzit aan strakke procedures en deadlines voor het indienen van allerlei materiaal. Ze doet dan uit de doeken dat ze veel op stap is, dat haar kaplaarzen standaard in haar achterbak liggen, en dat ze – met die oh zo belangrijke mensen in haar achtertuin – ook nog wat invloed heeft op het echt toewerken naar veranderingen in het landelijk gebied.
En toch, heeft ze de laatste weken last van slapeloze nachten en nare dromen. Ze zit dan in de startblokken – klaar voor de start – startpistool gaat de lucht in, en vervolgens blijken de kaplaarzen die ze voor de gelegenheid heeft voorzien van spikes, aan de startblokken vast te blijven plakken. Ze weet zich in haar droom los te wrikken, maar komt niet vooruit, en iedere keer komt er dan ook nog een nieuwe horde bij. Ze is deel van een team en moet aan het einde van haar deel het estafettestokje overgeven, maar in een volgende droom belandt het stokje op de grond, rolt van haar weg. Dat gebeurt dan steeds opnieuw, als ze het wil oppakken. Gelukkig komt een van haar teamgenoten, zich bewust van de penibele situatie, naar haar toe rennen, maar die heeft een nieuwe opdracht bij zich, ze moet een nieuw format indienen, en vervolgens weer één, en weer één. Een aantal van haar collega’s blijkt in haar dromen bovendien in andere banen te lopen, zodat ze hen niet kan bereiken. Martha schrikt dan meestal wakker en raakt aan het piekeren. Hoe zorgt ze ervoor dat ze de mensen in haar gebied niet teleurstelt, dat het positieve dat de mensen in haar gebied ondanks de polariserende politiek weten op te brengen, niet verdwijnt, door wéér die onzekerheid over de financiering en de regels? En hoe zorgt ze ervoor, dat haar collega’s, van beleid, van grondzaken, haar ambtelijk opdrachtgever ook, die toch een stukje verder weg staan van wat zij bijna dagelijks recht onder haar neus ziet gebeuren, blijven lopen? Martha realiseert zich, dat zij de wijsheid niet in pacht heeft, maar één ding weet ze heel zeker: de dingen moeten in een positieve richting blijven bewegen. Maar hoe, in godsnaam, HOE?
Op één van die ochtenden begint iets heel belangrijks bij haar te dagen. Ze staat hier niet alleen in. Ze kan gewoon zeggen tegen haar collega’s, dat ze hiermee worstelt, dat ze samen stappen wil zetten in de goede richting. Wat die ‘goede richting’ precies is, daar kunnen ze het over hebben, daar moeten ze het over hebben! Het is niet zo erg, als dat gepaard gaat met wrijving. Maar dan weegt het vallen en opstaan tenminste niet meer zo zwaar op haar schouders. Martha wil als team wat meer tegenwicht kunnen bieden, en de veranderingen die nodig zijn in beweging kunnen zetten, óók als het politieke draagvlak daarvoor regelmatig lijkt te ontbreken. Haar gedachten voelen nog als een open eindje, en vanwege de drukte twijfelt ze of ze zich zal opgeven voor de grote bijeenkomst over het gebiedsgericht werken. Uiteindelijk hakt ze de knoop door. En hier is ze.
When I started my thesis on the dignity of recipients of governmental food aid in Indonesia, one question stayed with me: Is dignity always lost when one receives charitable aid?
Many studies have shown how recipients of food assistance often feel ashamed, as if relying on charity makes them less of a citizen. For instance, a study conducted in the Netherlands found that the food and social interaction at food banks evoke emotions, such as shame, gratitude, and anger, that reflect recipients’ experiences of social inequality (Van Der Horst et al., 2014). In the UK, stigma portraying food bank recipients as lazy, violent, and undisciplined has led to feelings of shame and embarrassment, often discouraging people from using aid unless they are in a deep crisis (Garthwaite, 2016). These findings made me wonder whether the same feelings of shame would appear in other cultural contexts and to what extent cultural values shape how people experience receiving aid.
BPNT Distribution Point
This led me to conduct fieldwork in Indonesia to study how cultural values might shape food aid recipients’ sense of dignity, focusing on BPNT, the government’s Non-Cash Food Aid Program that helps low-income households access food. I conducted my fieldwork in the village where I grew up, hoping to understand how people live with, and perhaps redefine, the idea of receiving charitable aid.
During my time in the field, there was a situation that I will always remember. In one afternoon, children were playing hide and seek in a small field while some villagers returned from the rice paddies. A few gathered to chat as the sun began to set. That was when Aminah, one of my research participants, said to me:
“Wait a minute here, I want to return Mrs. Suri’s bowl first,” holding a bowl filled with a vegetable dish. I nodded, watching her walk away.
That simple scene has stayed with me. In the village, people still nurture this kind of practice of food sharing, and the BPNT program has helped recipients to participate even more actively. It quietly challenged everything I had read about shame and dependency. Many studies describe dependency as a condition marked by discomfort, where recipients feel inferior and try to stay unseen. In contrast, within the BPNT program, recipients appeared to be comfortable acknowledging their status, participating in food sharing, and offering others the aid they received. This openness challenged the idea that receiving charitable aid always involves shame and dependency. It shows that even while receiving aid, people were giving, sharing, and returning. Their relationships were defined not by what they lacked, but by what they could still offer.
Throughout my fieldwork, I often heard stories such as rice shared with a neighbour, oil passed to a cousin, or eggs given to a relative. My participants did not describe embarrassment about being food aid recipients. Instead, many expressed happiness and pride. In these moments, I began to see that dignity was not lost through receiving aid. In the Indonesian context, aid can actually enable dignity, because it allows people to reciprocate, to give something back, to participate in social life. The ability to share, however small, is what makes people feel involved in the community.
Garthwaite, K. (2016b). Stigma, shame and ‘people like us’: an ethnographic study of foodbank use in the UK. Journal of Poverty and Social Justice, 24(3), 277–289. https://doi.org/10.1332/175982716×14721954314922
Van Der Horst, H., Pascucci, S., & Bol, W. (2014). The “dark side” of food banks? Exploring emotional responses of food bank receivers in the Netherlands. British Food Journal, 116(9), 1506–1520. https://doi.org/10.1108/bfj-02-2014-0081