75th Anniversary: 16) Meaningful Diversity: Origins of the Farming Style Concept

Part of the front cover of Hofstee’s inaugural lecture “On the causes of diversity in agricultural areas in the Netherlands” (1946)

E.W. Hofstee’s interest in the concrete, the lived, and the particular marked his inclination towards an “inductive” research methodology. He combined in-depth descriptions of social groups with a comparative approach (Hofstee 1938: 7-8). This grounded theoretical approach yielded the concept of farming styles in agricultural production. A farming style can be defined as shared normative and strategic ideas about how farming should be done (see also Blog 10). Hofstee’s concept of farming  style implied an important analytical inversion: one should not try to understand the practice of farming from the structural conditions to which the farmers responds but rather move to the center of our analysis the agency of farmers as creative actors. Hofstee thought that rural sociology should emancipate itself from structuralist and functionalist “adjustment sociology,” as the understanding of rural life in terms of an adaptation to “order” was not only narrow and incomplete but also wrong: it erased the agency of people in the creation of the world they inhabit (see also Blog 14). Continue reading

75th Anniversary: 15) Marquetalia: Tegen de stroom in, maar met de beweging mee

 

In 1979 verscheen het eerste nummer van Marquetalia, een tijdschrift over landbouw en politiek. Tot de oprichters van het tijdschrift behoorden Jan Douwe van der Ploeg, de latere hoogleraar en hoofd van de vakgroep Rurale Sociologie RSO, maar ook anderen die de rurale sociologie in de jaren tachtig en negentig weer op de kaart zetten, zoals de agrarische socioloog en voormalig RSO collega Jaap Frouws, die later een spraakmakende politiek-sociologische studie over mest en macht schreef (waarover later meer in een blog), en Jan Schakel, de latere onderwijscoördinator van RSO. Na zes nummers hield het tijdschrift op te bestaan. Het redaktiekollektief sprankelde nog van nieuwe ideeën, maar men woonde en werkte te ver van elkaar – verspreidt over drie continenten – en nieuwe carrières boden nieuwe netwerken en kansen. Een deel van het kollektief ging de kern vormen van RSO. Continue reading

75th Anniversary: 14) Is the Future of Rural Sociology Urban? Is the Veluwe City?

“Nationaal Park De Hoge Veluwe” by F.d.W. is licensed under CC BY-NC-ND 2.0

The functions and meaning attributed to the rural are manifold (Woods 2011: 1). Primarily, it operates as the intersection of “man and nature” (Ploeg 1997: 41), where for centuries most of our food, fiber, and fuel have been produced (Woods 2011: 1) but which now also provides the landscapes and scenery where visitors ‘slow-down’ or search for adventure and sensation (Buscher and Fletcher 2017) while comprising spaces of identification and belonging (Jongerden 2018). Further, the rural acquires meaning in relation to its complement: the urban. Often defined as opposites in terms of land use, population density, or social bonds, among others (Cloke 2006), these “constitute the complex unity of society viewed from a spatial angle” (Gilbert 1982: 609). This variety of functions and meanings has made the rural not only an epistemologically uncertain concept, but also a normative one.This normativity and uncertainty is part of the heritage of rural sociology. Continue reading

75th Anniversary: 13) Reflections: From Rural Sociology to a Sociology of Place?

Place has figured central in the work of the Rural Sociology Group. In a way this is, of course, already implicated by the adjective “rural” which adds a spatial identity to the sociology we do. Taking this identity as a social practice and the production of meaningful differences as points of departure (Hofstee 1946, Ploeg 1993, Wiskerke 2007), my own research gradually started to crystalize around the emergence of new spatial realities beyond ‘rural’  and ‘urban’.  At the background of this interest is the will to understand how people address inequality and uncertainty, and how they sustain themselves individually and collectively, socially and spatially. Continue reading

75th Anniversary: 11) Notes from the field: Agricultural Development in Rojava and Resistance of the Third Kind

Women’s cooperative farm in Rojava (2015)

Introduction

In one of our previous blogs we discussed Van der Ploeg’s concept resistance of the Third Kind (see Anniversary Blog 7). This was defined as a resistance which resides in working practices and farmers’ fields and is expressed in the way that cows are bred, how manure is made, products are delivered. In short, it is a resistance which intervenes in and reorganizes production, reproduction and markets (Van der Ploeg 2007). In this blog, the reconstruction of Kobanî is discussed a resistance of the third kind. Continue reading

75th Anniversary: 6) The Cartophoot: Hofstee’s geographic mapping of difference

Picture 1. The cartophoot

In 1949, three years after his appointment as professor in social and economic geography, the ‘trojan horse’ through which rural sociology entered Wageningen, Evert Willem (E.W.) Hofstee became the chair of a commission to study the development of fertility in the Netherlands.[1] This Commission for Birth Research (Commissie voor het Geboorte-Onderzoek)[2] was part of the Institute for Social Research of the Dutch People (Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk [ISONOVO]). Continue reading

Landbouwbedrijven hebben steeds meer bronnen van inkomsten

Steeds meer agrarische bedrijven halen hun inkomen uit andere dan pure landbouwactiviteiten. Slechts een derde van de Nederlandse agrarische bedrijven legt zich toe op de primaire productie van bijvoorbeeld melk of varkensvlees en richt zich op de wereldmarkt. Zij proberen tegen zo laag mogelijke kosten te produceren. De overige bedrijven hanteren een veelzijdiger strategie om inkomsten te genereren.

Dat blijkt uit een enquête-onderzoek naar bedrijfsstrategie en toekomstperspectief van uitgeverij Agrio en de leerstoelgroep Rurale Sociologie van Wageningen University & Research. De enquête die deze zomer werd gehouden onder ruim 1200 agrarische bedrijven laat een aanzienlijke verbreding van inkomstenbronnen zien ten opzichte van het laatste grootschalig onderzoek midden jaren negentig naar bedrijfsstrategieën in de landbouw. In 1995 combineerde 22% van de bedrijven landbouw met andere bedrijfsactiviteiten, nu is dat 50%.

Agrarische bedrijven hanteren diverse strategieën om inkomen uit hun activiteiten te genereren. De meest oorspronkelijke route is die van de primaire productie van akkerbouwgewassen, zoals tarwe, en veeteelt, met melk, vlees of eieren als producten. In de afgelopen decennia hebben agrariërs naast akkerbouw en veehouderij ook andere inkomstenbronnen gegenereerd. Tegenwoordig is er een heel scala aan activiteiten zoals agro-toerisme, agrarisch natuurbeheer, een zorgboerderij en activiteiten die geen specifieke agrarische link hebben, zoals energieproductie met zonnepanelen of windmolens. Puur en alleen landbouwproductie komt nog maar bij de helft van de bedrijven voor, terwijl dat in 1995 nog op 78% van de bedrijven het geval was.

Han Wiskerke, hoogleraar Rurale sociologie aan Wageningen University & Research, die het onderzoek begeleidde, noemt de toegenomen diversiteit van strategieën binnen de landbouw onderbelicht. „Het beeld in de media werd het afgelopen jaar vooral gedomineerd door de stroming die zich richt op specialisatie en schaalvergroting. Uit ons onderzoek blijkt dit slechts één van de vele stromingen te zijn.”

Arbeidsmarkt gunstig voor extra activiteiten

De bedrijven die zich richten op verbreding en toegevoegde waarde (zoals eigen productverwerking), genereren opmerkelijk meer arbeid. Daarmee leveren ze een bijdrage aan de werkgelegenheid en de leefbaarheid van het platteland. Volgens Wiskerke zou het goed zijn als overheden zich bewust zijn van het feit dat bepaalde vormen van landbouwontwikkeling ook veel werkgelegenheid creëren. „Ik heb de indruk dat beleid gericht op het behouden en creëren van werkgelegenheid op het platteland zich niet op landbouw maar op andere economische sectoren richt.” Wiskerke plaatst daarbij wel een kanttekening. “De activiteiten die potentieel veel werkgelegenheid creëren doen zich vooral voor nabij steden en in toeristische gebieden (met name langs de kust), omdat daar nu eenmaal de meeste mensen wonen of recreëren en daar dus de meeste consumenten en afnemers van die boerendiensten te vinden zijn.”

Ontevreden over inkomen uit landbouw

Uit het onderzoek blijkt dat boeren die zich richten op specialisatie en productie voor de wereldmarkt op veel fronten afwijken ten opzichte van boeren met een andere strategie. Dat neemt niet weg dat voor alle boeren geldt dat ze ontevreden zijn over de inkomsten uit agrarische activiteiten. Bijna de helft is erg ontevreden of behoorlijk ontevreden. Het minst tevreden over het inkomen uit de landbouw zijn boeren met een bedrijfsstrategie waarbij zij zgn. groenblauwe diensten leveren, zoals beheer van sloten, en verbreding, zoals zorglandbouw of agrotoerisme. Daarentegen zijn deze boeren wel het meest tevreden over hun bedrijfsinkomen. Maar ook voor de boeren die zich richten op specialisatie en productie voor de wereldmarkt is het moeilijk om met alleen landbouw rond te komen, constateert prof. Wiskerke. “Puur van landbouw rondkomen is moeilijk.”

Veranderende regelgeving als belemmering

Als grootste belemmering voor bedrijfsontwikkeling staat bij alle bedrijfsstrategieën met stip op één: steeds veranderende regelgeving. 63 procent van de deelnemers kruiste dit aan. Agrariërs hebben behoefte aan een duidelijke langjarige overheidsvisie. “Daarop kunnen zij hun bedrijfsstrategie, waarbij vaak investeringen gemoeid zijn, inrichten,” licht prof. Wiskerke toe.

Kwart van gezinsinkomen afhankelijk van landbouw

Uit het onderzoek blijkt dat van alle bedrijven in de enquête slechts een kwart voor het gezinsinkomen volledig afhankelijk is van de landbouw. Bij de overige 75 procent bestaat het gezinsinkomen uit landbouw plus andere bedrijfsactiviteiten, een baan buiten het bedrijf of een combinatie daarvan. “Dat kan een teken van bittere noodzaak zijn, omdat ondernemers het met alleen landbouw financieel niet redden”, zegt prof. Wiskerke. “Maar het kan ook een uiting zijn van veranderende opvattingen over wat goed of toekomstbestendig agrarisch ondernemerschap is.” Tien jaar geleden gaf 72 procent van de ondernemers van multifunctionele bedrijven aan dat direct contact met burgers en consumenten de belangrijkste drijfveer was voor verbreding. Ook financiële risicospreiding werd toen door de helft genoemd. “En het kan ook een teken zijn van een verdere emancipatie van de boerin / vrouw van de boer, waarbij de nadruk ligt op een eigen carrière en inkomen buiten het bedrijf of een eigen bedrijfsactiviteit voortkomend uit eigen expertise en interesse. Het zijn toch overwegend vrouwen, veelal met werkervaring buiten de landbouw, die de drijvende kracht zijn achter verbredingsactiviteiten.”

Verantwoording onderzoek

Het onderzoek naar agrarische bedrijfsontwikkeling is een initiatief van uitgeverij Agrio en is in samenwerking met de leerstoelgroep Rurale Sociologie van Wageningen University & Research opgezet. Eind juli en begin augustus voerde marktonderzoeksbureau Geelen Consultancy het onderzoek digitaal uit. Aan het onderzoek namen ruim 1200 boeren deel. Het aandeel biologische boeren (6 procent) en veebedrijven is licht oververtegenwoordigd en tuinbouwbedrijven zijn juist ondervertegenwoordigd.

Bron

Persbericht Wageningen University & Research, nr 101, 30 oktober 2020

Zie ook: Veehouders willen stikstofruimte inleveren

Onderzoek naar kansen en belemmeringen voor agrarische bedrijfsontwikkeling

Vandaag zijn we samen met Agrio een onderzoek gestart naar de factoren die van invloed zijn op de bedrijfsvoering en -ontwikkeling in de landbouw. Tevens proberen we zicht te krijgen op welke uiteenlopende bedrijfsstrategieën en bedrijfstypen er zijn en waar boeren en boerinnen belemmeringen en kansen zien voor een toekomstbestendig bedrijf. De eerste stap in dit onderzoek bestaat uit een korte enquête, die vandaag is verspreid onder ruim 15000 boeren en boerinnen. Dit deel van het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met Geelen Consultancy. De uitkomsten van de enquête zullen in het najaar worden gepubliceerd in de vakbladen van Agrio. Later dit jaar willen we, mede op basis van de uitkomsten van deze enquête, een verdiepend onderzoek doen naar de huidige diversiteit in de Nederlandse landbouw, de kansen en belemmeringen voor bedrijfsontwikkeling en perspectieven voor verduurzaming.

New Book: Achieving Sustainable Urban Agriculture

Book cover Achieving Sustainable Urban Agriculture

This collection reviews key recent research on developing urban and peri-urban agriculture. The first part of the book discusses ways of supporting urban agriculture, from policy and planning to building social networks for local food supply chains. The chapters in the second part of the book survey developments in key technologies for urban agriculture, including rooftop systems and vertical farming. The book also assesses challenges and improvements in irrigation, waste management, composting/soil nutrition and pest management. The final group of chapters are case studies on urban farming of particular commodities, including horticultural produce, livestock, and forestry.

The book targets a varied audience: academic researchers in agricultural science, urban planning and environmental science specialising in urban agriculture; urban planners and policy makers in local government; national government and other bodies promoting urban agriculture.

More information about the book can be found at https://shop.bdspublishing.com/store/bds/detail/workgroup/3-190-83836

 

Internship or Thesis Opportunity: Allotment and Community Gardens in Warsaw and Berlin

 

person wearing black lace up sneakers standing on green grass with fallen leaves

Photo by Artem Beliaikin on Pexels.com

Are you interested in the politics and governance of community and allotment gardening ? How these gardens can become more inclusive? And what lessons gardeners in Berlin and Warsaw can exchange?

The research project “Integration von Kleingärten und Gemeinschaftsgärten in Warschau und Berlin” seeks a German speaking research assistant.

We are looking for a person with:

– German language (spoken and written).

– Research interest in the topic of urban gardening;

– Training and experience with qualitative research methods

– Knowledge about Berlin allotment and community gardens’ and/or administrative situation and structure;

 
Project duration December 2019 – March 2021
  • November/December 2019 – Kick off. Interviewing gardeners, the city administration, city dwellers and other persons related to the topic – in Berlin (December and January)
  • May 2020 – Focus Groups in Warsaw and Berlin, a visit of Berliners to Warsaw
  • September 2020 – VISIS workshops on challenges and opportunities of this integration.
  • March 2021 – final meeting in Warsaw

The rest of the time is for research, reading, meeting with the project team, writing and meetings in gardens (action research).

The project is a cooperation with Humboldt University and Łódź University in Poland. With funding from the Deutsch Polnische Wissenschaft Stiftung.

Deadline: Please send expressions of interest to oona.morrow@wur.nl  by October 14

RSO supervisor: Oona Morrow oona.morrow@wur.nl

Field Research supervisors: Agnieszka Dragon and Anna Dańkowska