Het verhaal van Josette

Marleen Buizer*

Met plezier stel ik Josette aan u voor. Josette heeft het bedrijf van haar ouders kunnen overnemen. Niet te groot, niet te klein, met 70 hectare voldoende om van te leven. Josette is trots, op de flinke koppel Blaarkoppen en MRIJ-dubbeldoel koeien die ze op haar land houdt. De sterke dieren kunnen het ruwvoer afkomstig van het ruige grasland goed verteren, en hoewel haar koeien niet véél vlees produceren, worden ze alom gewaardeerd voor de heerlijke smaak van hun vlees. Dat geldt trouwens ook voor de melk en de kaas, de belangrijkste producten van Josettes bedrijf. Ze probeert met haar gezin het bedrijf draaiende te houden op een manier waarvan ze denkt dat die toekomstbestendig is.

“Pleeg geen roofbouw”, was altijd het pleidooi van haar ouders, en “geef je ogen altijd goed de kost”. Dat soort uitspraken blijven hangen. Dat “geef je ogen altijd goed de kost” heeft Josette héél letterlijk genomen. Ze kijkt trouwens niet alleen met haar ogen, maar ruikt ook aan de grond en voelt hoe kruimelig van structuur en droog of vochtig die is. Geregeld gaat ze op haar knieën in het gras, schraapt de grond een beetje om, onderzoekt wat voor beestjes ze tegenkomt, graaft een beetje verder en laat de grond door haar handen gaan. Ze bewondert dan de kruiden, en ziet dat ze gezond zijn. Eén van de blaarkoppen komt vandaag lekker tegen haar aan staan, dat kriebelt en ze duwt een beetje terug. Ze kan zich niet herinneren dat dit specifieke dier dit eerder heeft gedaan – ze is zeker in een aanhankelijke bui. Maar toch maar even voelen aan de horens, zou er iets zijn? Maar alles voelt goed, en even later ziet Josette het dier vreedzaam wat gras herkauwen. Ze gaat weer op haar knieën, en constateert tevreden dat er heel wat kruiden in haar gras staan. Géén strakke lappendeken van Engels raaigras hier. En geen Heermoes of Jacobs Kruiskruid te bespeuren! Ze heeft wat geëxperimenteerd, vorig jaar, door nieuwe kruiden te zaaien. Dat had te maken met het grondwaterpeil dat in overleg met het waterschap omhoog is gebracht. Ze was door de vernatting toch wat huiverig voor leverbot en maagdarmwormen. Vanwege de kosten en het risico op resistentie weigert ze chemische middelen te gebruiken tegen de parasieten. Vandaar de experimenten met kruiden. En verdorie, het werkt!

Met een kleine groep andere boeren die op deze manier hun land bestieren heeft ze regelmatig contact om ervaringen uit te wisselen. Josette is niet zo’n lezer. Het handboek kruidenrijk grasland op veen dat Wij-Land onlangs uitbracht ligt nog in de stapel paperassen op de keukentafel. De volgende bijeenkomst gaat het over de relatie tussen de verschillende kruiden en voederwaarde of VEM. Daarna gaat het over kalfjes bij de koe – dat vanuit haar ervaringen eveneens veel vragen bij haar oproept. Daar wil ze beslist bij zijn. De verschraling waar ze ondanks de veengrond naar streeft, gaat gepaard met zoveel vragen! Díe kan ze dan voorleggen aan de anderen!

In haar naaste omgeving deelt Josette niet zoveel met andere boeren. Er is wel een gebiedsproces gaande, maar daar kan ze haar vragen niet kwijt. Ze vraagt zich weleens af: “gebied”, hoezo “gebied”? De 16 gebieden van de Provincie zijn ook maar een bedenksel dat met goede bedoelingen op een kaart is gezet. Het is alweer lang geleden, dat haar buren een kijkje bij haar kwamen nemen en zelf heeft ze ook niet zoveel met het waterinfiltratiesysteem dat bij een aantal van haar buren wordt aangelegd. Plastic buizen in de grond – wat zou dat doen met het bodemleven, vraagt ze zich af? En hoe verhouden al die andere maatregelen die worden genomen in dit gebied zich tot haar eigen experimenten? Soms zou ze willen dat ze dáár wat meer steun voor kreeg, al was het alleen maar in de vorm van meedenkkracht. Maar maatregelen zoals een stikstofkraker zijn niets voor haar – ja, vanwege de kosten maar vooral wil ze de mest van haar koeien nu juist op haar eigen land toepassen zodat ze geen kunstmest van elders hoeft aan te voeren. Het gaat niet om chemie alleen! Nee, het gaat om een heel levend systeem waar biologie, fysica en chemie, mens, en dier in onderlinge samenhang en verbondenheid hun rol spelen. Josette heeft heldere ideeën over de toekomst van het landelijk gebied. (Tot zover dit verhaal over een fictieve Josette, tot stand gekomen uit vele veldbezoeken. In mijn optiek zijn veel Josettes.)

De vakken die ik geef vanuit de Rurale Sociologie groep in Wageningen gaan veel over ‘place’ en ‘place-based approaches’. Me verdiepen in gebiedsprocessen en gebiedsgericht werken is dus interessant voor mij. Ik leer de studenten dat plaats (of plek) relationeel is, dat het niet een objectief meetbaar iets is buiten ons, maar gevormd wordt in relaties tussen mensen, dieren, culturen en andere plaatsen/plekken. Dat die grond in Josettes handen staat voor relaties tussen Josettes bodem, water, de gewassen, haar keuze van type koeien, en de toekomst van de landbouw in bredere zin. We praten in de collegezaal veel over Doreen Masseys idee van een ‘global sense of place’ – het concept waarmee zij uit wil drukken dat wat we hier doen, consequenties elders heeft, en andersom. Plaatsen – gebieden – zijn onderdeel van een complex web van relaties. Ook de markt, beleid, technologie zijn onderdeel van dat web en bepalen mede, wat mogelijkheden zijn, bijvoorbeeld voor verduurzaming van de landbouw. Andersom zijn de Josettes van deze wereld spelers in dat web van relaties. Die gedachte reflecteert Doreen Massey’s opvatting dat plekken niet statisch en neutraal definieerbaar zijn, maar beïnvloed worden door sociale ongelijkheden en machtsdynamieken, terwijl er ook dynamiek kan ontstaan vanuit het handelen van Josettes. Ik probeer mezelf weleens uit te dagen door me een plek te proberen voor te stellen die niet sociaal bedacht en/of gemaakt is. En een plek die niet politiek is. Dat vind ik heel erg moeilijk!

Doreen Massey roept op tot aandacht voor veranderlijkheid, tot een open idee van plaats en tot besef van de samenhang tussen dingen. Ze liet overtuigend zien dat gebieden niet los te zien zijn van wat elders gebeurt. Daarmee roept ze ook op tot vormen van solidariteit. Deze visie op ‘plaats’ en ‘gebieden’ als open, veranderlijk, tot stand gekomen in relaties, zie ik vaak contrasteren met hoe de gebiedsgerichte aanpakken nú tot stand komen. Want daarin zie ik veel energie gaan naar het ‘willen vastleggen’, ‘borgen’; ‘sturen’, ‘vasthouden aan de status quo’. Woorden als ‘gebiedsmanagement’, ‘dashboards’ met knoppen waaraan je kunt draaien, de ’gebiedsviewers’, ‘maatregelen’ en vooral  ‘KPI’s’ (KPI’s zijn kritische prestatie indicatoren waarmee ‘het werkelijk bereiken van vooraf gestelde doelen’ kan worden gemeten), zijn voor mij veelzeggend, net als de vlucht naar vooral technische oplossingen die de problemen waar de landbouw voor staat niet fundamentéél oplossen maar problemen juist wegduwen, verplaatsen naar de toekomst of naar plekken elders.   Het gebiedsgericht werken zit vol met selectief kijken, bijvoorbeeld als wat samenkomt in gebieden in het provinciehuis weer wordt opgesplitst in sectoren. Terwijl in het gebiedsgericht werken juist de hulp oh zo nodig is van samenwerkende beleidsvelden. De deelgebiedsmanagers in Zuid-Holland worstelen daarmee – omdat ze met hun ene been staan in de veelheid van de ‘modderige praktijken van alledag’, en aan de andere kant in de ‘beleids systeemwereld’. Die wereld kent ‘ambtelijk opdrachtgevers’ voor specifieke opgaven en is op veel fronten ondanks de al decennia met de mond beleden praktijk van integrale aanpakken, nog steeds onwrikbaar sectoraal ingericht. Redeneren via de nauwe band van natuur, landbouw, water: Josette heeft het wel allemaal sámen nodig om tot een werkend geheel te komen. In mijn optiek wordt er echt nog véél te weinig recht gedaan aan wat er allemaal via de bodem samenkomt in de handen en observaties van Josette.

De complexiteit van levende systemen reduceren om maar te kunnen meten en informatie ‘leesbaar’ te maken, zoals we doen met KPI’s: dat komt allemaal voort uit de ontembare behoefte aan controle, en aan het vaststellen van meetbare en controleerbare doelen. We zoeken onze toevlucht in kwantificeren, abstraheren en van daaruit normeren, om te kunnen controleren en afrekenen: maar het geeft een veiligheid die vaak maar schijn blijkt te zijn. Dat is deels begrijpelijk. Maar als iets pas meetelt, als het gemeten wordt, bijvoorbeeld via KPI’s, waar blijft dan een verhaal als dat van Josette, dat vol zit van moed, onzekerheid en ideeën over het samenwerkende geheel. En waarbij je van tevoren niet precies weet wat de uitkomst zal zijn, maar wel dat de aanpak waarschijnlijk zal leiden tot een betere balans tussen dier, mens en omgeving? De onzekerheid, het experimentele en het holistische zijn niet te vertalen naar KPI’s.

Verhalen zoals die van Josette, misschien ook wel van boeren die hier zijn – maar ook de verhalen van ambtenaren die veel in de gebieden werken; ze zijn allemaal dus heel relevant voor de boodschap dat verhalen er meer toe mogen doen en wat mij betreft zelfs zouden móeten doen. We kunnen de verhalen participatief tot stand brengen, het zijn coproducties. We kunnen door verhalen geïnspireerde kennis plaatsen naast de focus op datagedreven kennis en inzet op KPI’s. Sociaal wetenschappers zijn daar goed in. Want ik zie de manieren waarop Josette meet en voelt hoe het met haar grond en koeien gaat, niet terug in KPI’s. Josette gaat héél ver, om haar bedrijf toekomstbestendig te maken en de motto’s van haar ouders te volgen. Ze besteedt veel tijd op haar land en met de koeien en ze staat in verbinding met de wereld om haar heen. Dus daar moet wat mij betreft meer recht aan worden gedaan.

Zelf ben ik erg geïnspireerd geraakt door de ideeën van sociologen als James Scott. Hij beschreef, hoe de pogingen die we in diverse sectoren hebben gedaan om het landschap meetbaar te maken en daarmee leesbaar en controleerbaar, tegelijkertijd hebben geleid tot simplificaties die geen recht doen aan de complexiteit die zichtbaar wordt op plekken zoals die van Josette. Lokale, praktische kennis wordt er vaak mee ondergewaardeerd. De omstandigheden en mensen op specifieke plekken raken ermee op de achtergrond. Ook staat het meten op meer generieke, kwantitatieve prestatienormen in schril contrast met het continue leren en aanpassen in de praktijk, afhankelijk van lokale condities, zoals in het verhaal van Josette. Je kunt zeggen dat gebiedsgericht werken en alleen maar clean werken met KPI’s op gespannen voet met elkaar staan.

Maar let op! Ik ben niet tégen meten, Josette doet dat ook. De wens om te weten of doelen gehaald worden en daarop af te rekenen vraagt om een controlemechanisme dat niet steeds heronderhandeld kan worden. Dus lijkt een meetprincipe wenselijk. Toch wegen de bezwaren zoals ik ze heb genoemd zwaar, vooral als we de boeren die al bezig zijn met transitie willen steunen. Want: verliezen we via indicatoren niet te vaak het zicht op de complexiteit? De genoemde bezwaren leiden soms tot pijnlijke situaties. Jullie kennen zelf misschien boeren die vastgelopen zijn omdat ze, bijvoorbeeld omdat ze simpelweg te klein zijn, niet kunnen voldoen aan overheidseisen. Of misschien hebben jullie de filmopname gezien van boer Art Wolleswinkel uit Renswoude, die vooruitstrevend is in het nastreven van kringlooplandbouw. Na het afschaffen van de derogatie en invullen van de kringloopwijzer moest hij door de manier waarop gemeten werd zijn eigen mest afvoeren en in plaats daarvan kunstmest áánvoeren. Dat is de wereld op zijn kop! De situatie ontstond kort gezegd doordat ‘het systeem’ versimpelende aannames doet en daardoor niet in staat is onderscheid te maken tussen het stikstofgehalte in verschillende typen mest. Art Wolleswinkel en Josette redeneren vanuit hun praktijkinzichten, waarin allerlei factoren samenkomen. Hun verhalen snijden hout en wat zij doen, leidt juist tot mínder stikstof. Maar de Kringloopwijzer kan er niet mee uit de voeten, met grote perverse consequenties. Voorbeelden zoals dit leiden tot frustratie, en een grotere kloof tussen beleid en behoeften van vooruitstrevende boeren om ondersteund te worden. Dat moet dus anders!  We hebben deze koplopers die verder kijken dan technische oplossingen juist keihard nodig.

Tenslotte: een belangrijke vervolgvraag is wat het alternatief is voor meten. Belanden we uiteindelijk bij de conclusie dat het ‘gewoon’ wenselijk is fijngevoeliger KPI sets te ontwikkelen, met meer aandacht voor moeilijk kwantificeerbare elementen? Het punt dat ik hier wil maken is dat we bij het ontwikkelen van geavanceerder controlemechanismen onherroepelijk weer in de fuik lopen van technocratisme, hoge kosten van data-management en onwenselijke bijeffecten van selectief meten. We besteden veel tijd om te rekenen en modelleren, en hebben te weinig tijd om, bouwend op hun verhalen, te onderzoeken hoe mensen zoals Josette ondersteund kunnen worden in hun zoektocht naar alternatieven vormen van landbouw. Dat is het belangrijkste actiepunt in dit alternatief. We maken te weinig tijd, om samen met mensen zoals Josette op de knieën te gaan, aan de horens van de koeien te voelen, de grond tussen onze vingers te voelen en conclusies te trekken over de relaties tussen het gras en de kruiden, de bodem, de gezondheid van de koeien en de zorg die dat vraagt. Te onderzoeken hoe alles samenwerkt tot een werkend geheel, en hoe we boeren kunnen laten participeren door het vertellen van hún verhaal, dat misschien wel bij uitstek een vorm van meten is die we hard nodig hebben. Mijn verhaal is ook een warm pleidooi voor meer waardering en steun voor de mensen van de provincie die in gebieden werken en die ervoor kiezen om naast de Josettes in hun gebied te gaan staan. Meer steun organiseren voor de gebiedswerkers is dus het tweede actiepunt.

In contrast met berekeningen en uitgekiende metriek, kunnen narratieve benaderingen veel beter recht doen aan ervaringen zoals die van Josette en Art, in ál hun complexiteit en verandervermogen. Narratief onderzoek doen is een wetenschappelijk beproefde aanpak. Verhalen kunnen het geheel van waarden en relaties beter vatten. Ze plaatsen een inzicht uitdrukkelijker in de context van een gebied en haar mensen. Ze bieden een tegenwicht tegen de reducties van technocratie en haar meetsystemen.  Ik zou wensen dat we met elkaar die systemen kunnen aanspreken en doorbreken als ze contraproductief werken, om te voorkomen dat ze de Josettes, en de Art Wolleswinkels in de weg zitten in plaats van hen steunen op hun pad van transitie. Dat is actiepunt 3. Om die rijkheid van verhalen door te laten klinken in beleid en wetenschap hebben we de gebiedswerkers van de provincie, maar ook de ARC GIS storymappers en bestuurders ook keihard nodig. Om de verhalen niet op zichzelf te laten staan maar deelbaar te maken als bron van leren voor velen. Dat is actiepunt 4. En dit alles samen, is mijn hartekreet. Dank u voor de aandacht!

*Marleen Buizer werkt bij de Rurale Sociologie groep in Wageningen, maar is ook bijna iedere week wel in het Provinciehuis of in het veld te vinden, om samen met mensen uit beleid en praktijk te onderzoeken wat gebiedsgericht werken behelst. Dat doet zij via ACCEZ, dat beleid, praktijk en onderzoek met elkaar verbindt. Deze tekst is uitgesproken op 10 oktober 2024 in Den Haag, op de Gebiedendag Provincie Zuid-Holland, Transitiewerkplaats ZH, Utrecht en Noord-Holland.