75th Anniversary: 43) Een recreatieve tocht door het landschap van de Wageningse sociologie (1985-1995)

Jaap Lengkeek

De naam Hofstee was mij bekend. Iets over sociologie in Wageningen ook. Toen ik mijn afstudeeronderzoek deed in een klein plattelandsdorp in Noord-Holland, Twisk, las ik de studie van de Wageningse socioloog Jaap Groot over de leefbaarheid van een plattelandskern. Verder leerde ik, nadat ik aan de Universiteit van Amsterdam was afgestudeerd in de sociologie van bouwen en wonen, de Vakgroep Wonen van Prof. Van Leeuwen in Wageningen kennen. Desondanks bleef ik lang vrezen dat voorbij Utrecht de werkelijke academische wereld ophield.

Een advertentie voor een coördinator van de Werkgroep Recreatie van de Landbouwhogeschool Wageningen had desondanks mijn aandacht getrokken. Na mijn afstuderen had ik een aantal jaren onderzoek gedaan naar de relatie wonen en welbevinden bij het Instituut voor Preventieve Gezondheidszorg in Leiden. Daarna was ik beland in Den Haag bij een platform van organisaties op het gebied van vrijetijdbesteding, openluchtrecreatie en behoud van een gezonde leefomgeving, genaamd Stichting Recreatie. Daar kwam ik in direct contact met een levendige beleidssector op deze terreinen van de verschillende overheden. Bovendien ondersteunde de stichting een netwerk van onderzoekers aan de Nederlandse en Vlaamse universiteiten. Recreatie en vrije tijd waren belangrijke maatschappelijke thema’s geworden. Ik wilde graag terug naar de universiteit, vandaar dat ik solliciteerde naar de geadverteerde positie in Wageningen.

In Wageningen was openluchtrecreatie als onderzoeksthema nadrukkelijk op de kaart gezet als onderwerp van naoorlogse zorg voor een leefbaar en beleefbaar platteland, dat onder de snelle modernisering onder druk was komen te staan. De aanleg van grote recreatiegebieden in de buurt van en tussen grote steden naar voorbeeld van het Amsterdamse Bos was een substantiële oplossing geworden voor het verdwijnen van ruimtelijke kwaliteit en bruikbaarheid in de naoorlogse nota’s voor de ruimtelijke ordening. Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de zogeheten Recreatieschappen, dienden zorg te dragen voor uitvoering en beheer. Sociaalgeograaf Theo Beckers was in 1976 aangesteld bij de vakgroep Sociologie van de Westerse Gebieden en had zich beijverd om recreatiegedrag en -beleid op te nemen in het curriculum. Hij schreef in 1983 een prachtig proefschrift waarin het belang van recreatie werd duidelijk gemaakt, als een vorm van vrijheid, en bracht deze vrijheid in verband met de recente geschiedenis van het overheidsbeleid en met een solide theoretische kijk op planning. Bovendien stond hij aan de wieg van een samenwerkingsverband van Wageningse studievelden waarin openluchtrecreatie een aandachtsgebied werd of moest worden, van sociologie, landgebruiksplanning, ecologie, economie, psychologie en landschapsarchitectuur. Het samenwerkingsverband werd wettelijk (Wet Universitaire Bestuurshervorming) verankerd in de Werkgroep Recreatie. Ik kreeg de baan.

Voor de functie was ik ondergebracht als medewerker bij de Vakgroep Sociologie, met een kamer op de Leeuwenborch. Daar trof ik een gezelschap collega’s die onder Hofstee waren aangesteld, Ad Nooy had de leiding ervan, Jelle Lijfering, Berry Lekanne dit Deprez, Iteke Weeda, Rien Munters, en een recente lichting met Jaap Frouws, Gert Spaargaren, Jan-Willem te Kloeze en Henk de Haan. Jaap Groot en gezinssocioloog Gerrit Kooy waren zojuist vertrokken of gingen met pensioen. Mijn herinnering aan die tijd is niet helemaal zuiver meer na zesendertig jaar. Mijn belevenissen bij de vakgroep zullen daarom eclectisch en impressionistisch zijn. Terwijl ik me met medewerkers van verschillende vakgroepen bezighield, bleef mijn kijk op de collega’s van sociologie beperkt. Een helder ijkpunt vormde het hoofd van het secretariaat, Ada Hink. Zij beleed haar trots en trouw aan de groep en aan Hofstee in het bijzonder door mij te vertellen dat ze altijd op haar post zou zijn om Hofstee, als hij graag nog dagelijks in zijn kamer kwam, bijtijds zijn koffie te brengen. Niet duidelijk werd me wie een oudere man was, die ook ergens in een kamer zich door data heen zat te werken. Een assistent van Hofstee of zo iemand?

In de ochtend van mijn eerste werkdag in Wageningen parkeerde ik mijn auto op het parkeerterrein van de Leeuwenborch. Ik was benieuwd naar wat ik daar aan vervoersmiddelen zou aantreffen. De faam van milieuvriendelijkheid van de Landbouwhogeschool was tot mij doorgedrongen en ik vermoedde eenvoudige auto’s aan te treffen, deux-chevauxs, simpele Opels, een bescheiden Renault, of zoiets, en natuurlijk veel fietsen. Ik zelf was sinds kort in het bezit van een zescilinder, zilverkleurige Chevrolet Malibu, met roodlederen banken in plaats van stoelen. Ik verwachtte daarmee een ernstige dissonant te vormen. De auto slurpte benzine, verbruikte liters olie en maakte het geluid van een oceaanstomer. Maar de leden van de Werkgroep Recreatie pasten er precies in. Op weg naar geschikte onderzoeksgebieden reden we door het land en de stemming in de samengepakte wagen was opperbest. De Chevrolet heeft waarschijnlijk mijn beste bijdrage aan teambuilding betekend.

Auto, echtgenote en ik

Helaas moest die al vrij snel worden ingeruild omdat van de zes cilinders bij een scherpe bocht naar rechts er steevast twee uitvielen.

De Landbouwhogeschool werd Landbouwuniversiteit en de vakgroep sociologie trok een nieuwe generatie medewerkers aan. Van de oudere medewerkers was Rien Munters degene die hen vooral theoretisch inspireerde. Hij had zich verdiept in het werk van de Britse socioloog Anthony Giddens, waarvoor hij twee van zijn studenten had weten te enthousiasmeren, Hans Mommaas en Hugo van der Poel. Deze twee hadden zich na afstuderen naar de universiteit van Tilburg gespoed als zendelingen van Giddens, die hun missie daar met succes toepasten op het terrein van de vrijetijdwetenschappen. Na enige tijd, in 1987, volgde Theo Beckers hen naar Tilburg als hoogleraar Vrijetijdswetenschappen. Rien Munters bleef hun goeroe op afstand.

Rien was één van de medewerkers waar ik meer mee optrok. We gingen met enige regelmaat na afloop van het werk samen naar Nol in ’t Bos, om daar een jenevertje te drinken, met bitterballen, waarbij ik hem ook af en toe een klein sigaartje mocht aanreiken.  We spraken weinig over het werk, wel over amusantere onderwerpen. Zo vertelde hij anekdotes over Prof. Den Hollander, die ik als hoogleraar sociologie in Amsterdam had meegemaakt en die zijn studenten grote schrik placht aan te jagen, bijvoorbeeld door namen van de presentielijst op te noemen om de betreffende persoon tijdens het college een spitsvondig antwoord te laten geven. Menig student dook onder de bank. Ook liet hij een studente met gips om haar been uit de collegezaal verwijderen omdat ‘dat been’ hem stoorde. Deze handelwijze is hem bij de grote revolutie van de late jaren zestig duur komen te staan. Tevens memoreerde Rien dat hij ooit in het ziekenhuis was beland nadat hij een boomtak afzaagde waar hij zelf op zat. Over de wonderlijke hallucinaties die hij daarna kreeg raakte hij niet uitgesproken.

Ook met Albert Mok had ik goed contact, die als deeltijdhoogleraar organisatiesociologie was aangetrokken. Ik kende zijn naam van een boek over sociologie, dat hij samen met De Jager had geschreven en dat gewoonlijk werd aangeduid werd als ‘de mokkendejager’. Ikzelf was opgevoed met het boek van Van Doorn en Lammers en later het werk van Norbert Elias. Ik volgde Mok’s colleges en nam er af en toe één voor hem waar. Hij was een liefhebber van jenever. Bij mijn promotie gaf hij me een hele doos met flessen exquise Belgische jenever.

De nieuwste lichting medewerkers bij de vakgroep oriënteerde zich sterk op Jürgen Habermas, die het werk van Max Weber verder had uitgewerkt en actueel gemaakt. Het terrein waarop deze jongere generatie zich begon te bewegen raakte enigszins verwijderd van het agrarische. Milieusociologen werden ze. En, in mijn ogen, met een bewonderenswaardige inzet en begeestering. Ze mengden zich actief in de onderzoekscommissie voor milieuvraagstukken van de International Sociological Association (ISA). Voor een ISA-conferentie stelden ze een ‘marsroute’ op, zo vernam ik,  waar elk van hen naar toe zou gaan om een bijdrage te leveren. Ikzelf nam met meer gemakzucht deel aan de commissies voor vrije tijd en voor toerisme en vond me vergeleken met hen een lapzwans.

Intussen bedreigde het College van Bestuur de studierichting Sociologie met bezuinigingen of zelfs opheffing. Hetzelfde lot trof Landschapsarchitectuur, een succesvolle en in Nederland unieke academische studierichting. Ad Nooy, zo hoorde ik,  stelde voor een deel van zijn leerstoel in te leveren om financiële ruimte te creëren. Hij en hoogleraar landschapsarchitectuur Vroom waren volgens mij integere hoogleraren van het oudere stempel, die hun posities vanzelfsprekend achtten. Geen doordouwers of gewiekste strategen. Landschapsarchitectuur ging op in een gezamenlijke studie met landinrichtingsplanning. Doodzonde. Hoe het met sociologie ging weet ik niet meer. Wel, dat Jan Douwe van der Ploeg als hoogleraar werd aangesteld en hoofd werd van de vakgroep. Hij vatte zijn rol op met veel elan en voortvarendheid, met een sterke visie op agrarische regionale ontwikkeling en met een gedegen netwerk binnen en buiten de universiteit. In een landelijk tijdschrift beschreef hij zijn plannen en merkte op dat er onder de medewerkers, die hij geërfd had,  veel ‘dood hout’ zat, dat nodig weggekapt moest worden om gezonde groei mogelijk te maken. Een mens kan zich vergissen, ook een hoogleraar. Het dode hout dat hij ontwaarde bleek een verzameling wandelende takken te zijn. Wandelende takken leven en eten zo nodig zelfs hun eigen kinderen op. De bedoelde medewerkers, waaronder ik,  zijn later hoogleraar geworden, één zelfs Rector Magnificus. De nieuwe hoogleraar Van der Ploeg was hoe dan ook van zins snel flinke beslissingen te nemen, wat stuitte op argwaan en actief verzet van de milieusociologen. Ze vonden dat, in habermasiaanse termen, niet voldoende ‘communicatief werd gehandeld’. Inmiddels was ik secretaris van de vakgroep en mij werd gevraagd om in het ontstane conflict te bemiddelen. Het is allemaal wel opgelost, al weet ik niet meer hoe.

De recreatiesociologie ontwikkelde zich verder. Aanvankelijk werd veel onderzoek verricht in opdracht van rijks-, provinciale of gemeentelijke overheden naar recreatiegedrag. Theo Beckers entameerde en begeleidde onderzoek naar vrijetijdsgedrag van huisvrouwen in de stedelijke omgeving. Stedelijke recreatie was een hot item. Zelf kon ik een aantal onderzoeken op dat terrein uitzetten en begeleiden.

Bovendien liet ik studenten onderzoek doen naar de provinciale recreatieve ontwikkelingsplannen. In die tijd was er veel geld beschikbaar van de overheid om onderzoek uit te voeren, met een duidelijk praktisch doel. Later ging het onderzoeksgeld naar de DLO-instituten. Aan publiceren in buitenlandse of in landelijke wetenschappelijke tijdschriften werd nauwelijks gedacht. De wetenschappelijke belangstelling ervoor was in Nederland ook niet groot. Zoals Theo Beckers het ongeveer verwoordde ‘de recreatiestudie bewoont geen hoofdvertrek in het gebouw van de alma mater’. Ook internationale tijdschriften van allure verschenen in het buitenland nog maar mondjesmaat. Een eigen reeks publicaties van de werkgroep leek al heel wat. Omdat ik de theoretische invalshoek van sociologen en antropologen in de studies van het toerisme interessant, zo niet als mondiaal verschijnsel interessanter vond dan vrije tijd en recreatie was ik begonnen op mijn kamer werkgroepen sociologie van het toerisme te geven, met vijf alleraardigste en gemotiveerde studenten. Na het vertrek van Theo Beckers werd een bijzondere leerstoel Recreatiekunde ingesteld, waarop sociaalgeograaf Adri Dietvorst werd benoemd. Hij nam de leiding van de Werkgroep Recreatie over en ik bleef als secretaris ervan bij de vakgroep sociologie. Om het aspect toerisme meer gewicht en aandacht te geven werd René van der Duim aangetrokken, die in Tilburg sociologie had gestudeerd, docent was geweest aan het Nederlands Wetenschappelijk Instituut voor Toerisme en Recreatie in Breda en vervolgens mij had opgevolgd bij de Stichting Recreatie. In 1994 promoveerde ik op een studie naar het belang van Recreatie en Toerisme. Eén van mijn paranimfen vond het predicaat van de promotie ‘met lof’, tenslotte een gezonde groente, voor een landbouwuniversiteit wel te verwachten.

De positie van Adri Dietvorst werd geformaliseerd in een gewoon hoogleraarschap. De Werkgroep Recreatie werd een zelfstandige eenheid en gevestigd in gebouw De Hucht, waar ook Planologie, Landgebruiksplanning en Landschapsarchitectuur verbleven. De studie van recreatie en toerisme werd een interdisciplinaire aangelegenheid. Jan-Willem te Kloeze, René van der Duim en ik verhuisden van de Leeuwenborch naar De Hucht. De leeropdracht Recreatiekunde werd Sociaal-ruimtelijke Analyse (veel later veranderd in Cultural Geography). Het vervolg is inmiddels geschiedenis waar met tevredenheid op terug kan worden gekeken. Ik volgde Adri Dietvorst op, met een eigen leerstoelgroep, een masteropleiding Leisure, Tourism and Environment (één van de twee eerste opleidingen in Wageningen volgens het BaMa stelsel) en later nog een gemeenschappelijke Bachelor Tourism, samen met de University of Applied Sciences Breda.

De bakermat van dit alles blijft de vakgroep Sociologie van de Westerse gebieden. Wat ik tastbaar ervan bewaard heb hoort bij de professorale parafernalia. Van de weduwe van professor Kooy kocht ik diens toga en baret. Omdat de toga veel te groot was nam ik ook de toga over van professor van Mourik, emeritus planoloog, die deze weer had gekregen van hoogleraar Bijhouwer, de eerste hoogleraar landschapsarchitectuur. Dat ensemble vertegenwoordigt treffend mijn werkzaamheden in Wageningen, tussen sociologie, planologie en landschapsarchitectuur. De baret van Kooy, met zijn naam nog binnenin, ben ik eerbiedig blijven gebruiken.

Book Review: States of Dispossession

States of Dispossession is a book about protracted violence in the city and the rural surroundings of Mardin, a region in the southeast of Turkey, close to the international border with Syria. The book discusses various ways which people navigate death and injury, are haunted by memories of genocide, excavate and value its remains, and trade compassion for benefit. Biner discusses this violence and/as dispossession in daily lives settings, from the deprivation of life to the appropriation of homes, from the treasure hunting of valuable remains to dispossession through heritage making, and a range of debt creating practices, in which a variety of actors are involved, among these military, provincial governors, jinn, diggers, real estate developers, tribal leaders, and village guards. The result is a staggering picture about the ways in which property, memory and bodies are disowned in daily practices of nation-state building and neoliberal multiculturalism.

Read more here:

75th Anniversary: 38) Rereading Jaap Frouws’ Mest en macht (Manure and Power) in 2021

Kees Jansen

While writing the first sentences of this blog (7 July 2021), more than hundred tractors of angry farmers drive through the lawns of the campus of Wageningen University as one of many farmer protests against proposed Dutch government policies to reduce nitrogen emissions in agriculture. A farmer spokesman states that this university is an extension of the Ministry of Agriculture (LNV): Wageningen university is writing reports on request of the government against the interests of farmers and it is just suborned to defend environmentalist positions. Farmer protests on the campus grounds are something new as far as I know, but not farmer protests against restrictive environmental policies.

To understand the overall evolution of farmer protests around the nitrogen crisis, Jaap Frouws’ doctoral dissertation Mest en macht (Manure and Power) (1994) about the politics of the manure crisis in the Netherlands is highly relevant. Three reasons inspired me to write here about this academic work on agrarian corporatism written two and a half decades ago. First, when I was a master student Jaap Frouws provided an example that academics can be intellectually inspiring and accessible, kind, and humble at the same time. I consider him as an important figure in the 75 year history of the Rural Sociology group and his untimely death has been a great loss for Wageningen rural sociology. Second, Mest en macht provides a key entry point into the history of farmers’ representation in the conflict between agricultural and environmental demands and after three decades it has lost nothing of its urgency. Finally, Frouw’s pioneering work has become a point of reference for later researchers on manure narratives, such as Marian Stuiver’s PhD thesis (2008) and Janne Hemminki’s  recent master thesis (2021) on the current nitrogen crisis. But not everybody reads Dutch, so this blog hopes to draw the attention of English readers to Frouw’s classic Dutch text. One may not be able to read it but could become interested in reading some of Frouws’ articles derived from it.

The main theme in Mest en macht is the nature and decay of agrarian neo-corporatism represented by the Board of Agriculture (Landbouwschap) in the Netherlands. Founded in 1954, the Board of Agriculture―composed of representatives of the three major farmer unions and the labour union of agricultural workers―represented the interests of the whole agricultural sector as a public law organization. Interesting is how Frouws analyses how the state constructed the organization of farmer representation, rejecting to negotiate with an amalgam of different representative bodies and deciding to negotiate and collaborate with one composite organization only. Through this horizontal union model the farmer organizations as a whole became co-responsible for government policy. For several decades this structure would incorporate and reduce the autonomy of vertical product-based, specialized associations. Frouws analyses how this neo-corporatism was structured through a set of resources and rules that resulted in a strong cooperation between state and representative organizations. The representational monopoly was strengthened through providing early information about planned policies to the Board of Agriculture and giving it privileged influence. The strong involvement of farmer organizations via the Board of Agriculture provided legitimacy to government policies as the Board was functional in disciplining the farmer organizations’ constituencies.

Environmental crises, however, have increasingly affected this representational model. One key problem has been the excessive amount of manure produced by the livestock sector which could not all be incorporated into soils due to new environmental regulation. The key argument of Mest en macht is that the growing ‘manure problem’ created or deepened rifts in the so-called ‘Green Front’. It was increasingly difficult for corporatism to keep divergent interests under political control. For example,  views of farmer organizations in the North of the Netherlands clashed with those from the South. Farmers in the North had relatively more space to apply to the field their manure whereas the South had more manure surplus regions. Consequently, they had divergent views on the use of duties (to be paid to handle the manure surpluses) for, for example, transport subsidies. Such differences in interests led repeatedly to political confrontations and consequently to obstruction of policy consensus regarding the amplitude and pace of manure policies, the distribution of financial contributions to transporting and processing manure surpluses, and the regulations on buying and selling manure ‘quotas’. Within the state, policy formulation in this domain became less dominated by the Ministry of Agriculture which for a long time simply had organized and defended farmer demands through delegating policy formulation to the Board of Agriculture. Other voices speaking for environmental interests and, for example, members of parliament, gradually became less excluded from policy formulation around the manure crisis.

Frouws does not perceive this decay of agrarian neo-corporatism as a single monocausal unidirectional process. Instead, via an exhaustive empirical study of interview data, minutes of meetings, a survey of farmers’ perception of representation, and participant observation in meetings, Frouws describes the many twist and turns, and tensions, deadlocks and contradictions over time.  He reveals many examples of an effective lobby by livestock interest groups to soften or delay restrictive policies. Hence, while on the one hand the neo-corporatist policy-making community could not resolve the manure crisis and its political control of the issue lessened, farmer activism resulted on the other hand in delaying strategies and obstruction of policy formulation to address the manure crisis. Crucial questions regarding the restructuring the livestock sector were pushed aside in favour of maintaining the competitiveness and the export capacity of livestock production, thus precluding any discussion of reducing its volume.

Reading the empirical details of these confrontations, delays, and obstructions as presented by Frouws―with an emphasis on what happened in the 1980s―leaves the impression not of Manure and Power (Mest en macht) but of Manure and Powerlessness (Mest en onmacht). The issue of manure surplus was not resolved, the state was not able to envision proposals for restructuring of the livestock sector, and farmer representation fragmented. While Frouws did not predict anything about the future of the Board of Agriculture, the pivot of agrarian neo-corporatism in the Netherlands at that time, he rightly observed its decay. Not so long after his dissertation was published, the Board would be dissolved and the representation of farmer interests shifted to a more diffused model driven by specialized, product-based farmers’ associations.

Mest and macht is most important for what it offers in terms of empirical data, the analysis of neo-corporatism, and a political sociology of agriculture. The thesis centralizes the political sociology of representation whereby the technicalities of the manure problem are relegated to an appendix. Today with all the talk about assemblages or hybrids, nature/technology-society interaction would likely get a more pronounced treatment in a thesis. Instead, Mest en macht offers a middle range sociological theory about agrarian neo-corporatism and it is Frouws’ history of manure policies which provides us with interesting questions of how to look at the contemporary political upheaval which made farmers invading Wageningen University’s campus.

Similar dynamics as described by Frouws shape the current episode of the manure/N-emission crisis. The farmer protests in 2019, initiated by relatively small farmer activist groups, resulted in a momentary new Green Front, when the government negotiated about nitrogen emission policies with the Landbouw Collectief (the Agricultural Collective), a newly formed platform composed of many different farmer organizations. Like half a century ago, the government preferred to negotiate with just one representational body of farmers only. However, within months the participating organizations disagreed about the structure of the Landbouw Collectief and it felled apart as quickly as it had emerged. The strategies of ‘talking with the government to co-develop policies’ and ‘political activism to demand respect and farmer freedom’ turned out extremely difficult to combine. Of course, not everything is the same, as nowadays many farmers have incorporated ‘sustainability’ in their farm operations. But the challenges defined by Frouws of getting farmers involved in environmental regulation, “accepting responsibility for ‘general’ interests such as the protection of nature”, and accepting the need to discuss a restructuring of the livestock sector, remain as big and as relevant as 25 years ago. It might help to face these challenges if activists, policy makers, and politicians would read Frouws’ classic on farmer representation and environmental crisis.

Frouws, Jaap (1994). Mest en macht: Een politiek-sociologische studie naar belangenbehartiging en beleidsvorming inzake de mestproblematiek in Nederland vanaf 1970. Wageningen University (PhD Dissertation).

Hemminki, Janne (2021). The Nitrogen-crisis and social differentiations in the Dutch livestock sector. Wageningen University (unpublished MSc thesis).

Stuiver, Marian (2008). Regime change and storylines : a sociological analysis of manure practices in contemporary Dutch dairy farming. Wageningen University (PhD Dissertation).

75th Anniversary: 36) Hofstee’s puzzle: an innovation for socio-geographic research

In the 1950s Professor E.W. Hofstee from the former department Sociology and Sociography developed a tool to create maps with statistical data of the Netherlands. You could consider this technique as a predecessor to today’s GIS. In this video Anton Schuurman, Associate Professor of Rural and Environmental History at WUR, explains how the puzzle was used and why it was so unique.

A People’s Green New Deal

The idea of a Green New Deal, a set of proposal to address climate change and its effects, was launched into popular consciousness by US Congressperson Alexandria Ocasio-Cortez in 2018. Evocative of the far-reaching ambitions of its namesake, it has become a watchword in the current era of global climate crisis. But what – and for whom – is the Green New Deal?

In this concise and urgent book, A People’s Green New Deal, RSO postdoc Max Ajl provides an overview of the various mainstream Green New Deals. Critically engaging with their proponents, ideological underpinnings and limitations, he goes on to sketch out a radical alternative: a ‘People’s Green New Deal’ committed to the decommodification of social reproduction, anti-capitalism, anti-imperialism and agro-ecology.

Ajl diagnoses the roots of the current socio-ecological crisis as emerging from a world-system dominated by the logics of capitalism and imperialism. Resolving this crisis, he argues, requires nothing less than an infrastructural and agricultural transformation in the Global North, and the industrial convergence between North and South. As the climate crisis deepens and the literature on the subject grows, A People’s Green New Deal contributes a distinctive perspective to the debate.

Order now: A People’s Green New Deal (plutobooks.com)